Over de Stichting

Toen op 21 december 1989 het Roemeense volk het juk van dictator Ceausesco afwierp en we de beelden op TV volgden, zag ik op Teletekst een oproep voor een transportbusje om voedselpakketten naar Roemenië te brengen. In ons gezin ontspon zich eerst een discussie, om een busje voor betrokkene te huren en later, om zelf een inzameling te organiseren voor voedselhulp aan de Roemenen. Samen maakten we een lijstje met de noodzakelijkste voedingsartikelen, zoals meel, olie, azijn, en dergelijke. Daarna contact gezocht met diverse dominees en de pastoor en gevraagd, of bij de oecumenische kerstnachtdienst in de Grote Kerk een kanselafkondiging kon worden gedaan voor een inzameling op tweede kerstdag. Ze waren meteen enthousiast en stemden toe. De inzameling vond plaats op twee locaties, in het Klooster en in de Hoeksteen en verliep voorspoedig. In plaats van een busje vol hadden we een vrachtwagen vol. Na veel heen en weer getelefoneer werd ik via het Tweede wereldcentrum in Amsterdam aan een transporteur gekoppeld, die had aangeboden gratis de voedselpakketten naar Roemenië te vervoeren.

Om kort te gaan, we vertrokken in colonne met nog een aantal andere vrachtwagens en kregen via de Hongaarse Reformatorische Kerk adressen van kerken, die hulp nodig hadden. Vlak voor de grens konden we op kosten van het Hongaarse Rode Kruis de vrachtwagens boordevol diesel tanken, want in Roemenië was toen geen diesel te krijgen. Aan de grens werden we door het grenspersoneel met open armen ontvangen. We waren een van de eerste hulptransporten en kregen armbanden in de Roemeense driekleur, gingen samen op de foto en kregen bewapende militairen mee. Onderweg waren met tanks roadblocks gevormd en werden we gecontroleerd, want de Securitate was nog niet overmeesterd en ’s nachts werden vrachtwagens met hulpgoederen met mitrailleurs doorzeefd.

Daarom sliepen we dan ook bij de mensen thuis achter veilige muren, terwijl militairen voor een pak koffie de hele nacht wacht liepen rond de vrachtwagens. Zo hebben we bij diverse parochies door heel Transsylvanië voedselpakketten gebracht. De kerken waren toentertijd in de chaos van dit regime de enige betrouwbare instanties, die een goede administratie hadden van gezinnen met armoede en honger. Vanuit de parochies werden door de diakenen met paard en wagen aan de hand van lijsten de pakketten bij de mensen thuis afgeleverd.

Kort na Nieuwjaar kwamen we erg vermoeid door de vele indrukken en vooral het chronisch gebrek aan nachtrust, maar zeer voldaan weer thuis en begonnen meteen weer voedselpakketten, brood en kleding in te zamelen voor het volgende transport in februari. Zo gingen we, gedreven door wat we gezien hadden, door. In mei een volgend transport en in het najaar weer. Het enige probleem was de grote kosten voor het transport bij elkaar te krijgen. Elk transport betaalde ik eerst zelf en naderhand kreeg ik dan door giften van vele mensen het geld grotendeels weer terug. Op een gegeven moment zei Bé Visscher tegen me: “Herman, dit kan zo niet doorgaan. Je moet zorgen, dat je eerst het geld bij elkaar hebt en dan ga je een transport regelen. Je moet niet langer persoonlijk aansprakelijk zijn en een stichting oprichten. Dan worden de verantwoordelijkheden niet alleen door jou gedragen, maar door het gehele bestuur”. En zo ging ik op 7 mei 1991 samen met mijn zoon Bernhard naar notaris Esser, om een stichting in het leven te roepen met als doel, in te spelen op de vanuit Roemenië kenbaar gemaakte behoeften. De stichting zal werken vanuit een christelijke achtergrond en het evangelisch principe, gestoeld op de Bijbel, met als leidraad Jacobus 1 vers 22, waar staat: ”zijt daders des woords en niet alleen hoorders”. Herman den Dulk en Jan Scheringa waren bereid zitting te nemen in het bestuur als respectievelijk secretaris en penningmeester.

Vanaf dat moment werden eerst de financiën zeker gesteld en daarna het transport geregeld, meestal 2 maal per jaar: in het voorjaar en in het najaar. Het aantal projecten varieerde meestal tussen de 40 en 50 projecten per transport. Ook heeft onze stichting aan de wieg gestaan van de Kerkenband tussen PKN Vianen en de Reformatische kerk in Gilau en de Stedenband van Vianen met Reghin en “Vegen voor Roemenië” ten behoeve van renovaties in het Bethlen Gabor College in Aiud.

Herman Schutrups

Het revolutiejaar 1989 beleefde een gewelddadig eind met de omwenteling in Roemenië. Ook het regime van Ceausescu bleek niet onaantastbaar. Van alle Oostbloklanden was het Roemenië van Nicolai Ceauşescu het meest dictatoriaal. Ceauşescu leidde de staat sinds 1965 met harde hand. Op het gebied van de buitenlandse politiek voerde hij een realtief onafhankelijk beleid ten opzichte van de Sovjet-Unie. Zijn hervormingen van de landbouw hadden echter desastreuze gevolgen voor het Roemeense platteland en de voedselsituatie. De alomtegenwoordige geheime dienst Securitate kon niet voorkomen dat de opgekropte frustraties ten opzichte van Ceauşescu's regime in 1989 op bloedige wijze aan het oppervlak kwamen. Hij was de enige communistische leider die de omwenteling van dat jaar met zijn leven moest bekopen. Het communistische regime in Roemenië was in 1989 het meest repressieve van het Oostblok. Iedere uiting van vrijheid werd de kop ingedrukt door de staatsveiligheidsdienst Securitate en een fijnmazig net van burgerinformanten die over hun omgeving klikten. Vanaf de jaren tachtig nam de schaarste toe. Mensen stierven van de honger. De revolutie verliep gewelddadig. Tijdens de protesten en vooral bij het gevecht om de macht in de weken erna verloren honderden Roemenen hun leven. Exacte tellingen zijn er niet, schattingen gaan uit van tussen de 1.000 en 1.400 doden. Dictator Nicolae Ceausescu en zijn vrouw Elena ontvluchtten op 22 december de hoofdstad. Op 25 december werden ze na een schijnproces geëxecuteerd. De rol van de Securitate en het leger tijdens de omwenteling is nog altijd onduidelijk.

In Timisoara werd het informatiepantser verbroken

Gabriel Marinescu , een 55 jarige gedrongen man met een korte grijze baard en een leesbril aan een touwtje, verdiende in de jaren tachtig als ingenieur goed bij. Hij wist als enige in de West-Roemeense stad Timisoara hoe je antennes op daken kon monteren om buitenlandse zenders te ontvangen. In deze universiteitsstad bij de Joegoslavische en Hongaarse grens stonden Roemenen niet alleen uren in de rij voor eten, maar ook voor de programmagids van de Joegoslavische radio en tv. Als er stroom was konden de bewoners naast twee uur saaie propaganda op de staatstelevisie naar vijf buitenlandse zenders kijken. Daardoor wisten ze eind 1989 dat de Berlijnse Muur er niet meer stond. Elders in het geïsoleerde land was dat een te onwerkelijk idee om serieus te nemen. Marinescu verwachtte geen revolutie toen hij op 14 december 1989 in het donker met zijn vrouw en een vriend naar de kerk van de Hongaarse protestantse gemeente liep. Hij was nieuwsgierig, omdat hij had gehoord dat mensen op straat protesteerden tegen de gedwongen verhuizing van een kritische predikant. Dat was ongewoon. Hij was nieuwsgierig en misschien een tikje minder bang dan de meeste Roemenen die opgroeiden onder de communistische dictatuur van Nicolae Ceausescu. Het aantal protestanten voor de parochiewoning van dominee László Tökés groeide snel. Op 15 december was het een groep. Op 16 december een massa. Op 17 december reden de tanks op ze in en over ze heen en werd met scherp geschoten op vluchtende mensen. Er vielen tientallen doden, maar de opstand groeide door. Op 18 december stonden zo’n 200.000 Roemenen op het plein voor de opera. De bloedige Roemeense revolutie, de laatste en meest gewelddadige van de anti-communistische revoluties in 1989, was begonnen. Buiten Timisoara circuleerden slechts vage geruchten over wat zich daar afspeelde. Op 16 december werkten de telefoons nog. Marinescu probeerde familie en vrienden in de Zuid-Roemeense industriestad Craiova te vertellen dat er een opstand was. „Ze geloofden me gewoon niet. Dachten dat ik gek was.” Een dag later waren de lijnen afgesloten en moesten alle radioamateurs hun apparatuur inleveren. 43 Lichamen werd 's nachts uit het mortuarium gehaald en met een koelwagen naar een crematorium in de hoofdstad gebracht waar ze werden verbrand en de as in het riool uitgestrooid. De stad was omsingeld. De staatsradio berichtte over een Hongaarse afscheidingsbeweging ‘die gelukkig succesvol was onderdrukt’. Zolang in de rest van het land niemand wist wat er gebeurde, kon de vonk niet overslaan. „We moesten berichten naar buiten brengen, anders werden we vermorzeld”, vertelt Lucian Ristea, die destijds studeerde en voor een (gecensureerd) studentenblad schreef. „We waren doodsbang”, zegt Marinescu, die uitgroeide tot een van de revolutieleiders. De opstandelingen in Timisoara probeerden op alle mogelijke manieren met de buitenwereld te communiceren. Via het spoorcommunicatiesysteem werd naar andere steden geseind. Een revolutionair vertrok naar de vijftig kilometer verder gelegen stad Arad, klom in een hoge paal en schreeuwde over het stadsplein hoe het leger de demonstratie neersloeg. Daarna dook hij onder.

De enige diplomaat in Timisoara was de Servische consul Mirko Atanackovic, die fanatiek versleutelde boodschappen en diplomatieke post naar de Joegoslavische hoofdstad Belgrado stuurde. „Ik liep door de stad en zag hoe mensen werden meegenomen”, vertelt Atanackovic, een frêle man, tegenwoordig hoofd van de Servische kamer van koophandel in Timisoara. „In het consulaat hoorde ik de doffe klappen van de politieknuppels terwijl mensen ‘vrijheid’, ‘vrijheid’ riepen.” Tienduizenden demonstranten voor het communistisch partijkantoor schreven hun namen op lange lijsten en gaven die aan Atanackovic, opdat hij ervoor kon zorgen dat personen niet verdwenen zonder bewijs van hun bestaan buiten Roemenië. De buitenlandse media bleven maar stil, herinnert Atanackovic zich. „Ik snakte naar een verslag op Radio Free Europe als naar een zonsopkomst.” Deze door Amerikanen gefinancierde radiozender werd vanuit buurlanden met krachtige signalen Roemenië ingestuurd. Op 17 december was een opname te horen van schoten en paniek in Timisoara. De berichtgeving was gebaseerd op wilde schattingen. Vierduizend doden, zeiden de verslaggevers, die zelf niet verder kwamen dan de grens, maar wier boodschap de rest van Roemenië wel bereikte en geleidelijk voor onrust in andere steden zorgde. De opstand werd zo massaal, dat het leger zich op 20 december uit Timisoara terugtrok. De stad was vrij, maar in de rest van het land regeerde de Communistische Partij, bijgestaan door de gevreesde staatsveiligheidsdienst Securitate.

En toen maakte partijleider Ceausescu een inschattingsfout. Hij liet op 21 december in de hoofdstad Boekarest een grote steunbetuiging organiseren als tegenwicht voor de onrust in het westen van het land. Inmiddels wist het hele land dat er iets aan de hand was, maar niemand had de moed. Gelukkig riep Ceausescu de mensen zelf de straat op. Op televisie was live te volgen hoe Ceausescu met zijn slepende stem geroutineerd de bevolking toesprak vanaf het balkon van het partijgebouw. En hoe van achterin de menigte in plaats van applaus gefluit en boe-geroep aanzwol. Zijn gezicht drukt verwarring en onbegrip uit. Hij probeert de menigte te kalmeren, maar tot zijn verbijstering luistert de bevolking niet meer. De boodschap uit Timisoara was aangekomen.